Lees en duid aan of het om pesten, plagen of ruzie maken gaat.
Jelle heeft een gele trui aan. Anneke noemt hem een eend.
- plagen
- pesten
- ruzie maken
Bij het zwemmen verstopt Jan elke week de handdoek van Mieke.
- plagen
- pesten
- ruzie maken
Op de bus zitten Jo en Pim naast elkaar. Ze praten en lachen. Plots neemt Jo de muts van Pim en gooit hem een bank naar achter.
- plagen
- pesten
- ruzie maken
Tinka komt om de speelplaats. Ze komt net op tijd omdat ze bang is dat de kinderen haar anders weer uitlachen.
- plagen
- pesten
- ruzie maken
Het verjaardagsfeestje van Marijke.
De jongens willen voetballen en de meisjes willen dansen. Ze maken elkaar uit voor flauwerik.
- plagen
- pesten
- ruzie maken
Niemand van de klas praat tegen Yana. Al een hele week lang. Ze is heel erg verdrietig.
- plagen
- pesten
- ruzie maken
Joris draagt rare kleren. Ze zien er een beetje oud en versleten uit. Hij heeft ook een beetje een luide stem. De kinderen lachen hem uit.
- plagen
- pesten
- ruzie maken
Bij het voetballen was er een vechtpartijtje. Rik noemde Tom een pruts-keeper. Dat maakte Tom heel erg kwaad.
- plagen
- pesten
- ruzie maken
Mijn zus kwam terug van de kapper. Ik vond het lelijk en noemde haar mijn heksenzusje.
- plagen
- pesten
- ruzie maken
De school is bijna uit. Saar wordt bang. Ze vraagt zich af of de grote jongens haar weer gaan achtervolgen.
- plagen
- pesten
- ruzie maken